Een bijdrage van Fiscalist mr. Jan Rolleman.

Bij uitvoer van een voertuig vanuit Nederland kan de nog op de auto drukkende BPM (de “rest-BPM”) teruggevraagd worden als aan een aantal eisen wordt voldaan.

Samengevat zijn de wettelijke eisen hiervoor als volgt:

  • de tenaamstelling van het motorrijtuig in het kentekenregister komt te vervallen omdat het motorrijtuig buiten Nederland wordt gebracht en binnen 13 weken wordt BPM-teruggaaf gevraagd;
  • het voertuig is geen sloop- of schadevoertuig en heeft ook geen WOK-status
  • het motorrijtuig wordt ingeschreven in een andere lidstaat van de Europese Unie of EER en als bewijs van die inschrijving is door de bevoegde autoriteit een kentekenbewijs afgegeven, (mits geen kentekenbewijs dat is afgegeven op basis van een tijdelijke inschrijving)
  • Bij een verzoek om teruggaaf van belasting op grond van artikel 14a, tweede lid, van de wet, wordt een kopie van het buitenlandse kentekenbewijs gevoegd
  • De teruggaaf wordt verleend aan degene op wiens naam het motorrijtuig was gesteld direct voorafgaand aan het vervallen van de tenaamstelling in het kentekenregister
  • De teruggaaf wordt uitsluitend verleend als de belasting is betaald ter zake van de registratie of de tenaamstelling op of na 16 oktober 2006


Zo op de eerste aanblik lijken dit duidelijke eisen. In de praktijk roepen ze echter toch de nodige vragen op. Bijvoorbeeld als een voertuig in Duitsland wordt ingeschreven met een niet-tijdelijke inschrijving en vanuit Nederland wordt verkocht aan een nieuwe eigenaar die buiten de EU woont of is gevestigd.

Hierover lopen inmiddels procedures. Een citaat uit een uitspraak van Rechtbank Den Haag over zo’n situatie:

“Eiseres moet worden toegegeven dat artikel 14a ook na de aanpassing bij Fiscale verzamelwet 2015 in beginsel de mogelijkheid biedt teruggaaf van BPM te verzoeken bij ‘doorexport’ naar Albanië nadat Duitsland voor de auto een (niet tijdelijk) kentekenbewijs heeft afgegeven. De wettekst vormt daarvoor geen belemmering en uit de parlementaire behandeling - en in het bijzonder de antwoorden van het Kabinet op Kamervragen nadat de Raad van State zich kritisch had uitgelaten over de voorgestelde gewijzigde wettekst - blijkt ook dat de door eiseres beoogde uitwerking is onderkend en de wetgever daarin geen aanleiding heeft gezien de wettekst aan te passen. Sterker, de wetgever heeft zelfs geantwoord dat er geen minimumperiode geldt voor de ‘duurzame’ inschrijving.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder echter toch terecht geen teruggaaf BPM aan eiseres verleend”.

De rechter wijst voor dat oordeel vervolgens op de wetsgeschiedenis en op doel en strekking van de wet. De rechtbank zegt dus kort samengevat: u handelt wel volgens de letter van de wet, maar niet naar de bedoeling van de wet.

Intussen loopt tegen deze uitspraak, nadat ze in hoger beroep door het Gerechtshof is bevestigd, cassatieberoep bij de Hoge Raad. Uiteindelijk moet die rechter, de hoogste Nederlandse rechter in belastingzaken, het definitieve oordeel vellen. Het arrest van de Hoge Raad wordt pas laat in 2019 verwacht.

Advies
Tot die tijd is het aan te raden om u goed te laten adviseren over wat voor uw export de beste manier is!